Het Beslissende Kwartier De Treinkaping bij Wijster: het kwartier dat Nederland wakker schudde Historisch moment: 2 december 1975 https://hetbeslissendekwartier.nl/afleveringen/de-treinkaping-bij-wijster-het-kwartier-dat-nederland-wakker-schudde.html Transcript (op basis van het script) Deze leesversie is gebaseerd op het afleveringsscript. De tekst is niet woordelijk gecontroleerd tegen de uiteindelijke audio. Regieaanwijzingen en productienotities zijn weggelaten. Wijster, 2 december negentienvijfenzeventig. Een dinsdagochtend in Drenthe, grijs en koud. Over de enkelsporige lijn tussen Groningen en Zwolle rijdt een gewone stoptrein. Twee oude gele stelwagens, het type dat heel Nederland kent als de Hondekop. Aan boord forensen, scholieren, mensen op weg naar hun werk. De ruiten beslaan, buiten schuiven de weilanden voorbij. Het is een rit als duizend andere ritten. Niemand in die wagons vermoedt dat deze trein zo meteen tot stilstand komt en dagenlang niet meer verder zal rijden. Niemand vermoedt dat hier, midden tussen de Drentse akkers, voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis van Nederland het politieke terrorisme zijn intrede doet. Dit is Het Beslissende Kwartier, De Treinkaping bij Wijster. Om dit kwartier te begrijpen, moeten we eerst bijna vijfentwintig jaar terug, en duizenden kilometers naar het oosten. Naar de Molukken, een eilandengroep in de toenmalige kolonie Nederlands-Indië. Generaties lang dienden Molukse mannen in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, het koloniale leger waarmee Nederland zijn gezag in de archipel handhaafde. Ze waren loyaal, ze waren trouw, en juist die trouw zou hun noodlot worden. Toen Indonesie onafhankelijk werd, kwamen de Molukse soldaten klem te zitten. In negentienvijftig riepen Molukse nationalisten op het eiland Ambon een eigen republiek uit, de Vrije Zuid-Molukse Republiek, onder leiding van Chris Soumokil. Maar de jonge staat Indonesie duldde geen afscheiding. Voor de Molukse oud-soldaten van het koloniale leger was er geen veilige plek meer, niet in Indonesie, niet thuis op de eilanden. En dus nam de Nederlandse regering in negentieneenenvijftig een besluit dat decennia zou nadreunen. Ongeveer twaalfduizend vijfhonderd Molukkers, oud-militairen en hun gezinnen, werden per dienstbevel op de boot naar Nederland gezet. Tijdelijk, zo werd hun verteld. Een paar maanden, een half jaar, en dan terug naar een vrij Molukken. Dat woord, tijdelijk, werd nooit waargemaakt. Bij aankomst werden de mannen zelfs ontslagen uit het leger waarin ze hun hele leven hadden gediend. De Molukkers belandden in afgelegen kampen en woonoorden, vaak voormalige interneringskampen, aan de rand van de Nederlandse samenleving. De jaren werden decennia. De beloofde terugkeer naar een vrij Molukken kwam niet, en de Nederlandse politiek leek het dossier liever te vergeten dan op te lossen. In negentiendrieenzestig werd Soumokil door het Indonesische leger gevangengenomen, in negentienzesenzestig werd hij geëxecuteerd. Voor de eerste generatie was dat een wond die niet helen wilde, het bewijs dat hun ideaal langzaam doodbloedde terwijl de wereld toekeek. En toen kwam de tweede generatie. Jongeren, geboren of opgegroeid in Nederland, die de vernedering van hun ouders zagen en zich door niemand gehoord voelden. Bij een handvol van hen sloeg de frustratie om in iets veel gevaarlijkers, in het idee dat alleen geweld de wereld nog zou laten luisteren naar de droom van een vrij Molukken. Zeven van die jongeren komen uit Bovensmilde, een dorp in Drenthe met een grote Molukse gemeenschap. Ze zijn jong, de oudste is vijfentwintig jaar. Ze hebben hun actie wekenlang voorbereid en ze zijn zwaarbewapend, onder meer met een Uzi-machinepistool. Hun doel is om Nederland en de wereld te dwingen naar hen te luisteren, door iets te doen wat in dit land nog nooit is vertoond: een trein kapen en de inzittenden gijzelen. Die ochtend stappen ze gewoon in, onopvallend, tussen de andere reizigers. Even na tien uur, als de stoptrein door het lege landschap bij Wijster rijdt, ver van elk station, slaan ze toe. Plotseling klinkt het scherpe gillen van staal op staal. De noodrem. De trein schokt, remt af, komt midden in de weilanden tot stilstand. Buiten is niets dan akkers, een sloot, een verre boerderij. Geen perron, geen station, geen mens te bekennen. In de wagons kijken de reizigers verbaasd op. Een storing, denken de meesten. Een koe op de baan, misschien. Dan klinken er stemmen, harde commando's, en zien de eerste passagiers de wapens. De verbazing slaat in een paar tellen om in pure angst. Voorin de trein voltrekt zich op datzelfde moment het beslissende. De machinist die ochtend is Hans Braam, dertig jaar oud. Hij rijdt als invaller op deze dienst, ingesprongen voor een collega. Als de trein zo abrupt tot stilstand komt, doet Braam wat elke machinist zou doen: hij verlaat zijn cabine om te kijken wat er aan de hand is. In het eerste rijtuig loopt hij recht in de armen van twee van de kapers, Kobus Tuny van vijfentwintig en Djerrit Hetharia van drieentwintig. Braam ziet de wapens. Hij begrijpt in een fractie van een seconde dat dit geen storing is, dat dit iets is waarvoor geen draaiboek bestaat. Hij draait zich om en trekt zich terug, achter de deur van zijn cabine. Dan vallen de schoten. Kobus Tuny vuurt met zijn Uzi dwars door de gesloten cabinedeur. Volgens de kapers waren de kogels als waarschuwing bedoeld. Maar achter het dunne plaatstaal wordt Hans Braam dodelijk geraakt. Binnen enkele ogenblikken is de machinist dood. Een man die simpelweg zijn werk deed, die die ochtend was ingevallen voor iemand anders, die niet eens op deze dienst hoorde te zitten. Hij had niets te maken met de Molukken, niets met Indonesie, niets met een belofte uit negentieneenenvijftig. Hij bestuurde een trein. Even later openen de kapers de deur en gooien zijn lichaam uit de trein, de spoorbaan op. Daar zal het, in het zicht van het hele land, dagenlang blijven liggen, een stil en gruwelijk symbool van wat er die ochtend werkelijk is gebeurd. Het is nog geen kwart over tien. In een handvol minuten is een doodgewone treinrit veranderd in een gijzeling met vierenvijftig mensen. En er ligt een dode langs het spoor. Voor Nederland is dit een volstrekt nieuw soort schrik. Dit is het land van overleg, van de polder, van het rotsvaste idee dat zwaar geweld iets is van ver weg. En nu staat er een gekaapte trein in de Drentse modder, met gewapende jongeren aan boord en een vermoorde machinist op het ballastbed. Het nieuws verspreidt zich razendsnel. Politie, leger en pers stromen toe, op veilige afstand, en het hele land kijkt mee naar een trein die nergens heen gaat. De beelden van die stilstaande wagons in het kale winterlandschap branden zich in het collectieve geheugen van een hele generatie. Wie er destijds bij was, vergeet het nooit meer. Even tussendoor. Vind je Het Beslissende Kwartier de moeite waard? Abonneer je dan via Spotify, Apple Podcasts of waar je ook luistert, zo mis je geen aflevering. Heb je een idee voor een nieuw beslissend kwartier? Mail ons: 15minuten@doorzetters.net. Wat volgt, is een gijzeling van twaalf dagen. De kapers eisen aandacht voor de Molukse zaak en een vrije aftocht. De Nederlandse regering, het kabinet onder premier Joop den Uyl, kiest bewust voor een strategie van uitputting en onderhandeling, niet van bestorming. Liever lang wachten dan een bloedbad riskeren. Dag na dag staat de trein stil in de kou, met de gegijzelden binnen, uitgeput, bang, in de greep van zeven gewapende jongens die zelf ook nauwelijks weten hoe dit moet eindigen. Het is december, het wordt vroeg donker, en in heel Nederland volgt men ademloos de berichtgeving. Twee dagen na de kaping, op vier december, bezet een tweede groep Molukse jongeren het Indonesische consulaat in Amsterdam, als steunactie. Ook daar worden gijzelaars vastgehouden, onder wie kinderen van een Indonesische school. Nederland heeft opeens twee gijzelingen tegelijk te bevechten. Bij de trein vallen nog twee doden. De dienstplichtige militair Leo Bulter, tweeentwintig jaar, wordt doodgeschoten als blijkt dat het eerste geweld de regering niet doet zwichten. En dan is er Bert Bierling. Eenendertig jaar, econoom, op een gewone dinsdagochtend ingestapt voor een gewone rit. Op vier december, de derde dag, wordt hij door de kapers in de deuropening van de trein geplaatst en daar neergeschoten. Zijn lichaam belandt langs de baan, naast dat van Hans Braam. Zo liggen er twee mensen langs het spoor, in het zicht van de camera's en de wachtende hulpdiensten op veilige afstand. De kapers wilden druk zetten op de onderhandelaars. De buitenwereld zag het resultaat. Drie onschuldige mannen, vermoord om een politiek punt te maken. Pas na bemiddeling, onder meer door Johan Manusama, de president in ballingschap van de Zuid-Molukse Republiek, en door de weduwe van Soumokil, geven de kapers zich over. Op veertien december, na twaalf dagen, lopen ze naar buiten en worden de laatste drieentwintig gegijzelden bevrijd. De bezetting van het consulaat in Amsterdam eindigt vijf dagen later, op negentien december, zonder verdere doden. In negentienzesenzeventig worden de treinkapers veroordeeld tot veertien jaar cel. Wat maakt dit kwartier nu beslissend? Niet alleen dat er een mens werd vermoord, hoe gruwelijk ook. Het is het moment waarop een naoorlogse zekerheid in Nederland definitief sneuvelde. Tot die dinsdagochtend leefde het idee dat zwaar politiek geweld iets was voor het buitenland. Voor Noord-Ierland, voor Duitsland, voor het Midden-Oosten. Niet voor een weiland in Drenthe. Na Wijster was die illusie weg. Nederland kreeg zijn eigen worsteling met terrorisme, zijn eigen draaiboeken, zijn eigen vraag hoe een rechtsstaat omgaat met geweld dat voortkomt uit een diep en deels terecht gevoel van onrecht. En het bleef niet bij die ene keer: nog geen twee jaar later, in negentienzevenenzeventig, zou bij De Punt opnieuw een trein worden gekaapt, die keer eindigend in een bestorming door mariniers. De schaduw van Wijster reikte ver. Want dat is de pijnlijke dubbelheid. De grief van de Molukkers was echt. De belofte van terugkeer was echt gebroken, generatie na generatie aan de kant geschoven. En tegelijk koos een handvol jongeren ervoor om die grief te wreken over de rug van volstrekt onschuldige reizigers. Het beslissende kwartier bij Wijster legt precies dat bloot: het punt waarop onrecht en geweld elkaar raken, en waarop een hele samenleving moet beslissen wie ze wil zijn. Die schaduw reikt tot in het heden. Op eenentwintig juni tweeduizendzesentwintig, vijfenzeventig jaar na de aankomst van de eerste Molukkers in Nederland, onthult premier Jetten in Rotterdam een nationaal monument ter nagedachtenis aan die aankomst. En maakt hij, naar verwachting, namens de Nederlandse regering excuses voor de gebroken beloftes, voor de afgelegen kampen, voor de decennia van onverschilligheid. Het zijn excuses die lang op zich lieten wachten. Excuses die Hans Braam, Leo Bulter en Bert Bierling niet meer zullen horen. En zoals altijd in Het Beslissende Kwartier hangt ook hier de vraag in de lucht die we nooit echt kunnen beantwoorden: wat als het anders was gelopen? Wat als de Nederlandse regering in de jaren vijftig en zestig de Molukse gemeenschap niet had laten verpieteren in afgelegen kampen, maar de gebroken belofte serieus had genomen? Wat als er een echte dialoog was geweest met de tweede generatie, voordat de wanhoop omsloeg in geweld? Misschien was Hans Braam dan die ochtend gewoon doorgereden naar Zwolle. Misschien had Nederland de Molukse treinkapingen, Wijster en De Punt, helemaal niet gekend. Maar dat parallelle spoor is niet het onze. In ons tijdspoor staat een gekaapte trein stil tussen de Drentse akkers, en valt een schot door een cabinedeur dat het naoorlogse Nederland voorgoed veranderde. Vond je deze aflevering de moeite waard? Like, abonneer en deel de podcast met iemand die dit ook moet horen. Je vindt ons op Spotify, Apple Podcasts en alle andere podcastplatformen. Suggesties voor nieuwe afleveringen? Mail 15minuten@doorzetters.net. Dit was Het Beslissende Kwartier, vijftien minuten die alles veranderden. Mijn naam is Julius van Rossum. Er is altijd een volgend beslissend kwartier.