Op de Funkausstellung in Berlijn presenteert Philips-ingenieur Lou Ottens de compact cassette — en democratiseert daarmee voorgoed de muziek.
Berlijn, 30 augustus 1963, tien uur in de ochtend. De Funkausstellung gonst van de stemmen. Duizenden bezoekers schuifelen langs stands vol televisies, radio's en versterkers. De lucht ruikt naar sigarettenrook en ambities. Dit is de grootste elektronicabeurs van Europa, en iedereen met een nieuw product wil hier gezien worden. Ergens in de drukte staat een zevenendertigjarige Nederlandse ingenieur bij een bescheiden Philips-stand. Hij draagt een keurig pak en houdt iets kleins in zijn hand. Het past in zijn jaszak. Het weegt bijna niets. Maar wat Lou Ottens daar vasthoudt, zal de manier waarop de mensheid naar muziek luistert voor altijd veranderen.
De frustratie van een ingenieur
Om te begrijpen wat er die ochtend gebeurt, moeten we terug naar het begin van de jaren zestig. Lou Ottens werkt dan al bijna tien jaar bij Philips. Hij is briljant, eigenzinnig en ongeduldig. In 1955 heeft hij de EL 3585 helpen ontwikkelen, de eerste draagbare bandrecorder op batterijen — een commercieel succes met meer dan een miljoen verkochte exemplaren. Maar Ottens is niet tevreden. Die zogenaamd draagbare recorders zijn nog steeds logge apparaten. De spoelen met tape zijn kwetsbaar. Het inrijgen van de band vergt handigheid en geduld. Voor professionals werkbaar, voor gewone mensen gedoe.
Ergens in 1962 pakt hij een stuk hout. Hij zaagt het op maat. Precies zo groot dat het in zijn jaszak past. Dit, zegt hij tegen zijn team, is hoe groot onze nieuwe recorder moet worden. En de cassette die erin gaat, moet nog kleiner zijn.
In Hasselt, België, gaat een team aan het werk. Ontwerpers, ingenieurs en technici. Hun opdracht klinkt onmogelijk: maak een cassette die kleiner is dan een pakje sigaretten, zorg dat de tape niet in de knoop raakt, en houd de productiekosten laag. Maandenlang experimenteren ze met formaten, materialen en mechanismen. De tape mag niet breder zijn dan 3,81 millimeter — de helft van wat gangbaar is. Dat betekent minder geluidskwaliteit, maar meer compactheid. Ottens accepteert de afweging. Hij ontwerpt niet voor audiofielen in studio's. Hij ontwerpt voor mensen in treinen, op stranden, in hun eigen woonkamers.
Tien uur vijftien
Om kwart over tien staat Ottens bij de Philips-stand, omringd door nieuwsgierige bezoekers. Voor hem op tafel ligt de EL 3300, een compacte cassetterecorder in een strak grijs jasje. En ernaast liggen de cassettes. Kleine plastic doosjes, niet groter dan een speelkaart.
De menigte dringt naar voren. Er wordt gefluisterd. Is dit echt alles? Waar zijn de spoelen? Waar is de tape?
Ottens pakt een cassette, houdt hem omhoog zodat iedereen hem kan zien, en klikt hem in het apparaat. Eén beweging. Geen gedoe met inrijgen, geen losse uiteinden. Hij drukt op play. En dan klinkt er geluid. Stemmen. Muziek. Uit een apparaat dat in je jaszak past.
De reacties zijn onmiddellijk. Sommigen lachen ongelovig. Anderen buigen zich voorover om beter te kijken. Een journalist maakt aantekeningen. De volgende vijftien minuten demonstreert Ottens wat de compact cassette kan. Hij laat zien hoe je opneemt, terugspoelt, de cassette omdraait en de andere kant bespeelt. Het is een doorbraak, zal Ottens later zeggen, omdat het foolproof was. Idiotbestendig.
De audiofanaten fronsen hun wenkbrauwen. De geluidskwaliteit is matig, zeggen ze. De tape is te smal. Dit is speelgoed, geen serieuze technologie. Ze hebben gelijk over de klank — die is inderdaad niet perfect. Maar ze begrijpen niet wat Ottens heeft begrepen. Perfectie is niet het doel. Toegankelijkheid is het doel. Vrijheid is het doel.
De wereld wil luisteren
De markt geeft Ottens gelijk. Binnen een jaar begint de massaproductie van blanco cassettes in Hannover. In november 1964 bereikt de uitvinding de Verenigde Staten, onder het merk Norelco. En dan neemt Philips in 1965 een besluit dat misschien nog belangrijker is dan de uitvinding zelf: het bedrijf geeft de technologie gratis vrij. Elke fabrikant ter wereld mag compact cassettes maken, zonder royalties te betalen. De enige voorwaarde is compatibiliteit — alle cassettes moeten in alle spelers passen.
Nu is de compact cassette geen Philips-product meer. Het is een wereldstandaard. Sony, BASF, Maxell, TDK — ze maken allemaal cassettes, ze maken allemaal spelers. Eind 1965 verschijnen de eerste vooraf opgenomen muziekcassettes in Europa. Ze noemen het Musicassettes. De kwaliteit is nog steeds niet perfect. Maar de mogelijkheid is onweerstaanbaar: muziek die je overal mee naartoe kunt nemen.
En het explodeert met de introductie van de Sony Walkman in 1979. Plotseling is muziek niet langer gebonden aan een plek. Je loopt door de stad met je eigen soundtrack. Je deelt liedjes met vrienden door ze te kopiëren op een bandje. Je maakt mixtapes voor mensen van wie je houdt.
Waarom dit kwartier beslissend was
De compact cassette zal uiteindelijk meer dan honderd miljard exemplaren verkopen — het populairste audioformaat ter wereld, tot de compact disc het in de jaren negentig verdringt. Maar de erfenis gaat verder dan cijfers. De cassette democratiseert muziek op een manier die niemand had voorzien. Plotseling kunnen mensen niet alleen luisteren, maar ook creëren. Onafhankelijke bands nemen hun eigen demo's op. Ondergrondse muziekscènes bloeien op, van punk in Londen tot hiphop in de Bronx. En de mixtape wordt een cultureel fenomeen: een liefdesverklaring op zestig minuten tape, een uitwisseling van smaak en identiteit, een voorloper van de afspeellijst.
Op 30 augustus 1963, om kwart over tien 's ochtends, drukte een Nederlandse ingenieur op play. En de wereld klonk nooit meer hetzelfde.