In drie minuten en zesenveertig seconden transformeert een zesentwintigjarige gitarist The Star-Spangled Banner tot een sonisch protest tegen de Vietnamoorlog — en verandert de betekenis van het Amerikaanse volkslied voorgoed.
De zon breekt door de ochtenddamp boven een glooiende wei in Bethel, New York. Het is maandag 18 augustus 1969, even na negen uur. Vier dagen geleden was dit nog een gewone zuivelboerderij. Nu is het een moddervlakte, bezaaid met slaapzakken, afval en de resten van wat ooit een half miljoen mensen herbergde. De meesten zijn vertrokken — terug naar kantoren en scholen, naar de wereld die ze even achter zich hadden gelaten. Maar dertig- tot veertigduizend mensen blijven. Ze zijn moe, vies, uitgehongerd. En toch staan ze daar, hun blik gericht op het houten podium dat uitkijkt over het dal. Want daar, in de ochtendnevel, staat een zesentwintigjarige man met een witte Fender Stratocaster. Zijn naam is Jimi Hendrix.
Een land in oorlog met zichzelf
Om te begrijpen wat er die ochtend gebeurt, moet je terug naar de zomer van 1969. Amerika is een land in oorlog — met zichzelf. In Vietnam sneuvelen wekelijks honderden jonge soldaten in een conflict dat steeds zinlozer lijkt. Thuis woeden rassenrellen, wordt de burgerrechtenbeweging met geweld onderdrukt, worden studentenprotesten neergeslagen. Martin Luther King is een jaar eerder vermoord. Robert Kennedy eveneens. Maar er groeit iets nieuws: een generatie die weigert de oorlog te accepteren. Ze noemen zichzelf hippies, en in augustus 1969 krijgt hun wereld een adres: een weiland in de Catskillbergen, eigendom van boer Max Yasgur.
Het festival is het geesteskind van vier jonge ondernemers: Michael Lang, Artie Kornfeld, John Roberts en Joel Rosenman. Hun oorspronkelijke plan is bescheiden — een opnamestudio bouwen, gefinancierd door een muziekfestival. Maar wat er gebeurt overtreft elke verwachting. De wegen naar Bethel slibben dicht. Files van tientallen kilometers ontstaan. Kaartcontrole wordt onmogelijk. De organisatoren nemen een besluit dat het festival zal definiëren: ze verklaren het gratis. De hekken gaan open. En ze blijven komen. Richie Havens, Santana, Creedence Clearwater Revival, Janis Joplin, Crosby, Stills, Nash and Young — drie dagen lang volgt de ene artiest na de andere. Regen verandert het terrein in een modderzee. Voedsel raakt op. Maar er is geen geweld. Geen paniek. Alleen een half miljoen jonge mensen die samen iets beleven.
Het beslissende kwartier
Zondagavond 17 augustus zou Hendrix de afsluiter zijn, maar vertragingen hebben het schema volledig ontwricht. Pas in de vroege ochtend van maandag 18 augustus is het zijn beurt. Tegen die tijd zijn de meeste bezoekers vertrokken. Hendrix kan kiezen: eerder optreden voor een groter publiek, of wachten en als laatste spelen. Hij kiest het laatste. Even na negen uur beklimt hij het podium met zijn nieuwe band, Gypsy Sun and Rainbows.
Halverwege zijn set laat hij de openingsnoten horen van The Star-Spangled Banner. Maar dit is geen volkslied zoals Amerika het kent. Hendrix ontleedt de melodie, vervormt haar, vult de pauzes met krijsende feedback die klinkt als vallende bommen, als mitrailleurs, als de geluiden van een oorlog die tienduizenden kilometers verderop woedt. Drie minuten en zesenveertig seconden duurt het. Journalist Bernard Collier, aanwezig die ochtend, zal later schrijven: "Plotseling drong dit geluid mijn hoofd binnen. Het klonk precies als raketten, projectielen en bommen die ontploften. Ik had nog nooit zoiets gehoord."
Tom Law, vrijwilliger van de Hog Farm commune, staat in het publiek. "We bevonden ons op de meest vredige bijeenkomst die waarschijnlijk op dat moment op de planeet plaatsvond," zal hij jaren later zeggen. "En hij verbond ons met Vietnam. Het was de verwoesting en de brutaliteit en de waanzin. Dat was een essentieel kunstwerk."
De erfenis van een augustusochtend
Om kwart over elf speelt Hendrix zijn laatste nummer en verlaat het podium. Het Woodstock Music and Art Fair is officieel ten einde. Boer Max Yasgur, negenenveertig jaar oud, spreekt de vertrekkende menigte toe: "Jullie hebben iets bewezen aan de wereld. Dat een half miljoen kinderen bij elkaar kunnen komen voor plezier en muziek, en niets anders dan plezier en muziek kunnen hebben."
De erfenis van dat augustusweekend reikt verder dan muziekgeschiedenis. Een documentaire en soundtrackalbum in 1970 dragen de beelden van Woodstock de wereld over. Hendrix' Star-Spangled Banner wordt een icoon van protest, een sonische samenvatting van de Vietnamoorlog. Maar de droom sterft snel. Vier maanden later eindigt het Altamont Free Concert in geweld en een dodelijk steekincident. Hendrix zelf overleeft Woodstock ruim een jaar — in september 1970 sterft hij in Londen, zevenentwintig jaar oud.
Die ochtend op dat podium in Bethel speelt Jimi Hendrix niet zomaar een nummer. Hij hercomponeert de Amerikaanse identiteit ter plekke. Met elke vervormde noot stelt hij een vraag die het land niet wil beantwoorden: wat betekent dit volkslied eigenlijk, in een tijd dat jonge Amerikanen sterven voor een oorlog die niemand meer kan uitleggen? Hij geeft geen antwoord. Hij laat de vraag hangen in de ochtendlucht, samen met de rook van zijn versterkers en de modderlucht van het festivalterrein. Vijftien minuten — dat was alles wat het kostte om het Amerikaanse volkslied voorgoed te veranderen.