Om 8.30 uur rolt in Atlanta een routinebulletin van de pers — met daarin de eerste officiële melding van wat aids zal blijken te zijn
De drukpers in het kantoorgebouw van de Centers for Disease Control draait die vrijdagochtend zoals elke week. Stapels van de Morbidity and Mortality Weekly Report rollen warm van de machines, vers geïnkt, klaar voor verzending naar ziekenhuizen en universiteitsbibliotheken door heel Amerika. Op pagina twee staat een artikel van anderhalve pagina met een titel die technisch klinkt, bijna saai: Pneumocystis Pneumonia — Los Angeles. Vijf gevallen van een zeldzame longontsteking bij jonge mannen. Twee van hen zijn al dood. Niemand in dat gebouw beseft dat deze anderhalve pagina het startschot is van een epidemie die tientallen miljoenen levens zal eisen.
De immunoloog en zijn raadsel
De maanden voorafgaand aan 5 juni 1981 worstelt dr. Michael Gottlieb, een vierendertigjarige immunoloog aan de Universiteit van Californië in Los Angeles, met een medisch mysterie. In het najaar van 1980 krijgt hij een patiënt doorverwezen die hem niet meer loslaat — een man van begin dertig, voorheen kerngezond, nu stervend aan een longontsteking die normaal alleen voorkomt bij mensen met een verwoest immuunsysteem. Pneumocystis carinii. Kankerpatiënten na chemotherapie krijgen het. Transplantatiepatiënten op zware medicatie. Maar deze man heeft geen van die dingen. Zijn immuunsysteem is gewoon verdwenen.
Dan komt de tweede patiënt. En de derde. Tegen mei 1981 heeft Gottlieb vijf gevallen verzameld uit drie verschillende ziekenhuizen. De mannen zijn tussen de negenentwintig en drieëndertig jaar oud. Ze kennen elkaar niet, wonen in verschillende delen van Los Angeles, leiden verschillende levens. Maar ze delen drie dingen: ze zijn allemaal homoseksueel, ze hebben allemaal dezelfde zeldzame longontsteking, en ze hebben allemaal tekenen van een totaal ingestort immuunsysteem. Gottlieb weet dat dit geen toeval kan zijn. Samen met de lokale gezondheidsdienst stelt hij een rapport op voor de CDC in Atlanta — droog, wetenschappelijk, zonder alarmbellen. Gewoon de feiten.
De telefoon gaat
Op diezelfde 5 juni 1981, nog voor de middag, gaat in Atlanta de telefoon. Aan de lijn is dr. Alvin Friedman-Kien, dermatoloog in New York City. Hij heeft het rapport nog niet gezien, maar hij heeft zijn eigen verhaal. In zijn praktijk ziet hij jonge mannen met Kaposi-sarcoom, een zeldzame kanker die normaal alleen voorkomt bij oudere mannen van mediterrane of Oost-Europese afkomst. Maar bij deze patiënten is de kanker agressief, snel verspreidend, dodelijk. Friedman-Kien telt al meer dan twintig gevallen. De telefoonlijnen staan de rest van de dag roodgloeiend. San Francisco meldt zich. Meer gevallen. Meer jonge mannen die sterven.
Binnen drie dagen richt de CDC een speciale taskforce op. De kranten beginnen te schrijven — de New York Times plaatst in juli een artikel op pagina twintig over een zeldzame kanker bij eenenveertig homoseksuelen. Het is een klein bericht. De meeste Amerikanen lezen erover heen. Maar in de homoseksuele gemeenschappen van New York, San Francisco en Los Angeles begint de angst te groeien.
Een vijand die er al decennia was
Wat niemand op 5 juni 1981 weet: het virus is al zestig jaar onder ons. Wetenschappers zullen later ontdekken dat hiv waarschijnlijk rond 1920 voor het eerst van chimpansees op mensen is overgesprongen, ergens in de buurt van Kinshasa in Belgisch Congo. Via seksueel contact, via bloedtransfusies, via gedeelde naalden — van Afrika naar Haïti naar de Verenigde Staten. Onzichtbaar. Naamloos. Retrospectief onderzoek identificeert gevallen die teruggaan tot 1959. Al die tijd zagen artsen patiënten sterven aan bizarre infecties, haalden hun schouders op, en gingen door. Pas op die vrijdagochtend in juni wordt het patroon zichtbaar.
De jaren daarna zijn een aaneenschakeling van ontdekkingen en tragedies. Eind 1981 duiken gevallen op bij intraveneuze drugsgebruikers, bij hemofiliepatiënten, bij pasgeboren baby's. De naam verandert van gay-related immune deficiency naar acquired immune deficiency syndrome — aids. In 1983 identificeren Franse onderzoekers het virus. In 1987 komt het eerste medicijn op de markt. In 1996 de eerste effectieve combinatietherapie. Maar tegen die tijd zijn wereldwijd al miljoenen mensen gestorven.
Waarom dit kwartier beslissend was
Het rapport van 5 juni 1981 is niet het moment waarop aids begon — het virus doodde al decennia in stilte. Het is het moment waarop aids zichtbaar werd. Waarop een patroon van losse sterfgevallen veranderde in een erkende epidemie. Zonder die anderhalve pagina in een droog medisch bulletin had het virus misschien nog jaren onopgemerkt zijn weg kunnen vinden. Nu begon de strijd — te laat voor velen, maar niet voor iedereen. Die vrijdagochtend in Atlanta, terwijl de drukpers draaide en de telefoons begonnen te rinkelen, veranderde de medische geschiedenis. Een vijand had eindelijk een gezicht gekregen.