Cover De oliecrisis en autovrije zondagen
← Alle afleveringen

Seizoen 1 | Aflevering 18

De oliecrisis en autovrije zondagen

4 november 1973 · ±15 min

Op de eerste autovrije zondag ontdekt een heel land dat welvaart gebouwd op import fundamenteel kwetsbaar is

Het is drie uur in de ochtend, zondag 4 november 1973. In de slaapkamers van miljoenen Nederlanders tikken wekkers geruisloos verder. Buiten, op de snelwegen die dit kleine land doorkruisen, branden de straatlantaarns voor niemand. De A2, de A4, de A12 — slagaders van beton die normaal zelfs in het holst van de nacht een gestage stroom van koplampen kennen. Maar vannacht niet. Vannacht zijn ze leeg. In garages door het hele land staan de Dafjes, de Kevertjes, de Opels en Fords koud. Hun sleutels hangen aan haken in keukens. Ongebruikt. Verboden.

De oorlog die alles veranderde

Om te begrijpen waarom die auto's stilstaan, moeten we vier weken terug in de tijd. Naar zaterdag 6 oktober 1973. Het is Jom Kipoer, de heiligste dag in de Joodse kalender. En precies op die dag, als Israël collectief tot stilstand is gekomen, vallen Egypte en Syrië aan. Egyptische troepen steken het Suezkanaal over. Syrische tanks rollen de Golanhoogten binnen.

In Den Haag, in het Torentje aan het Binnenhof, zit minister-president Joop den Uyl voor een onmogelijke keuze. Nederland heeft historische banden met Israël, maar is ook afhankelijk van Arabische olie. De keuze wordt voor hem gemaakt door de loop der gebeurtenissen: Nederland levert in het geheim wapens aan Israël. Het blijft niet lang geheim.

Op 17 oktober 1973 komt de reactie. De Arabische olieproducerende landen, verenigd in de OAPEC, kondigen een embargo af tegen de Verenigde Staten én tegen Nederland — als enige Europese land. Tegelijkertijd verhogen ze de olieprijs met zeventig procent. Het is economische oorlogsvoering, en Nederland, met zijn raffinaderijen in Europoort en zijn miljoenen auto's, is plotseling kwetsbaar.

Het besluit valt

Op 31 oktober 1973 kondigt het kabinet-Den Uyl de maatregelen aan: benzinedistributie, snelheidsbeperkingen, en het meest ingrijpend: autovrije zondagen. Het besluit valt 's middags, ergens tussen twee en drie uur, in de ministerraad. Vijftien minuten waarin tweeëntwintig ministers en staatssecretarissen bepalen dat Nederland anders moet gaan leven.

Nu, op 4 november 1973, om drie uur vijftien in de ochtend, wordt een verbod werkelijkheid. In Hilversum draait een producer de laatste plaat van de nachtprogrammering. Ergens in Amsterdam loopt een agent zijn ronde door lege straten. In Rotterdam, bij de Europoort, liggen tankers stil aan de kade — gevuld met olie die er wel degelijk is, maar die plotseling een andere waarde heeft gekregen.

Die ochtend ontwaakt Nederland in een wereld die er hetzelfde uitziet, maar anders voelt. De zon komt op over stille snelwegen. Geen geronk van motoren. Alleen de wind die over het asfalt strijkt. In de grote steden wandelen de eerste mensen naar buiten, sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen uit verveling. Ze lopen over straten die normaal verboden terrein zijn. Er zijn mensen die met hun fiets de A2 opgaan, of wandelend de A12 betreden — officieel verboden, maar ze worden de iconen van deze dag, vastgelegd door fotografen.

Verwondering en bezinning

In huiskamers door het hele land zit men voor de televisie. De NOS zendt beelden uit van lege snelwegen, van kinderen die spelen op asfalt dat normaal levensgevaarlijk is. De reacties zijn gemengd. Er is ergernis, zeker — mensen die hun zondagse ritje naar familie moeten missen. Maar er is ook iets anders, iets dat lijkt op verwondering.

Want Nederland is, ondanks alle naoorlogse welvaart, nog niet zo lang een autoland. Veel mensen herinneren zich de tijd dat de fiets het normale vervoermiddel was. Die herinnering wordt op deze zondag plotseling weer tastbaar. In kerken wordt gepreekt over soberheid. In huiskamers worden spelletjes gespeeld. Het gezinsleven krijgt een onverwachte impuls.

De eerste autovrije zondag wordt gevolgd door een tweede, en een derde. In totaal zullen het er tien worden, tot en met 6 januari 1974. Op 1 december 1973 spreekt minister-president Den Uyl het volk toe via de televisie. Hij is ernstig, zoals hij altijd ernstig is, maar nu is er iets nieuws in zijn stem. Urgentie. "We moeten beseffen," zegt hij, "dat we niet kunnen voortgaan met het verbruik van beperkte voorraden brandstoffen en grondstoffen zoals we dat in de laatste kwarteeuw hebben gedaan."

En dan de woorden die zullen beklijven: "Het wordt nooit meer zoals het geweest is."

Waarom dit kwartier beslissend was

De naoorlogse decennia waren een ononderbroken succesverhaal geweest. Wederopbouw, groei, welvaart. Bijna vier miljoen personenauto's stonden geregistreerd. Goedkope olie maakte het mogelijk. In 1972 waarschuwde de Club van Rome in haar rapport De grenzen aan de groei voor de eindigheid van grondstoffen. Het werd gelezen, besproken, en grotendeels genegeerd.

Tot die zondag in november. Tot de Arabische olielanden lieten zien dat de kraan kon worden dichtgedraaid. In dat beslissende kwartier — toen het verbod inging, toen de stilte neerdaalde over de snelwegen, toen Nederland collectief werd beperkt in zijn bewegingsvrijheid — veranderde er iets fundamenteels. Niet alleen in het beleid, maar in het bewustzijn. De vanzelfsprekendheid van onbeperkte mobiliteit bleek een illusie. Welvaart gebouwd op import bleek kwetsbaar. En een heel land ontdekte, voor het eerst sinds de oorlog, wat het betekent om afhankelijk te zijn van de rest van de wereld.

#geschiedenis #Nederland #beslissend moment #oliecrisis #autoloze zondag #OPEC #energiecrisis #jaren zeventig #1973
Deel deze aflevering