Zeven Molukse jongeren kapen een stoptrein bij Wijster — in vijftien minuten sneuvelt het naoorlogse gevoel van veiligheid
Het is even na tien uur op dinsdagochtend 2 december 1975. Door de grijze Drentse weilanden rijdt een gewone stoptrein over de enkelsporige lijn tussen Groningen en Zwolle. Twee oude gele stelwagens, het type dat heel Nederland kent als de Hondekop. Aan boord forensen, scholieren, mensen op weg naar hun werk. De ruiten beslaan, buiten schuiven de akkers voorbij. Niemand in die wagons vermoedt dat deze trein zo meteen tot stilstand komt en dagenlang niet meer verder zal rijden.
Een belofte die nooit werd waargemaakt
Om te begrijpen wat er die ochtend bij Wijster gebeurt, moet je bijna vijfentwintig jaar terug, en duizenden kilometers naar het oosten. Naar de Molukken, een eilandengroep in de toenmalige kolonie Nederlands-Indië. Generaties lang dienden Molukse mannen in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, het koloniale leger waarmee Nederland zijn gezag in de archipel handhaafde. Ze waren loyaal, ze waren trouw — en juist die trouw zou hun noodlot worden.
Toen Indonesië onafhankelijk werd, kwamen de Molukse soldaten klem te zitten. In 1950 riepen Molukse nationalisten op het eiland Ambon een eigen republiek uit, de Vrije Zuid-Molukse Republiek, onder leiding van Chris Soumokil. Maar de jonge staat Indonesië duldde geen afscheiding. In 1951 nam de Nederlandse regering een besluit dat decennia zou nadreunen: ongeveer twaalfduizend vijfhonderd Molukkers, oud-militairen en hun gezinnen, werden per dienstbevel op de boot naar Nederland gezet. Tijdelijk, zo werd hun verteld. Een paar maanden, een half jaar, en dan terug naar een vrij Molukken.
Dat woord — tijdelijk — werd nooit waargemaakt. Bij aankomst werden de mannen zelfs ontslagen uit het leger waarin ze hun hele leven hadden gediend. De Molukkers belandden in afgelegen kampen en woonoorden, vaak voormalige interneringskampen, aan de rand van de Nederlandse samenleving. De jaren werden decennia. In 1963 werd Soumokil door het Indonesische leger gevangengenomen, in 1966 werd hij geëxecuteerd. Voor de eerste generatie was dat een wond die niet helen wilde.
En toen kwam de tweede generatie. Jongeren, geboren of opgegroeid in Nederland, die de vernedering van hun ouders zagen en zich door niemand gehoord voelden. Bij een handvol van hen sloeg de frustratie om in iets veel gevaarlijkers.
Zeven minuten over tien
Zeven van die jongeren komen uit Bovensmilde, een dorp in Drenthe met een grote Molukse gemeenschap. Ze zijn jong — de oudste is vijfentwintig jaar. Ze hebben hun actie wekenlang voorbereid en ze zijn zwaarbewapend, onder meer met een Uzi-machinepistool. Die ochtend stappen ze gewoon in, onopvallend, tussen de andere reizigers.
Even na tien uur, als de trein door het lege landschap bij Wijster rijdt, slaan ze toe. De noodrem. Het scherpe gillen van staal op staal. De trein schokt, remt af, komt midden in de weilanden tot stilstand. Buiten is niets dan akkers, een sloot, een verre boerderij.
Voorin de trein voltrekt zich het beslissende. De machinist is Hans Braam, dertig jaar oud. Hij rijdt als invaller op deze dienst, ingesprongen voor een collega. Als de trein zo abrupt tot stilstand komt, doet Braam wat elke machinist zou doen: hij verlaat zijn cabine om te kijken wat er aan de hand is. In het eerste rijtuig loopt hij recht in de armen van twee van de kapers, Kobus Tuny en Djerrit Hetharia. Braam ziet de wapens. Hij draait zich om en trekt zich terug, achter de deur van zijn cabine.
Dan vallen de schoten. Kobus Tuny vuurt met zijn Uzi dwars door de gesloten cabinedeur. Hans Braam wordt dodelijk geraakt. Een man die simpelweg zijn werk deed, die niets te maken had met de Molukken, niets met Indonesië, niets met een belofte uit 1951. Even later gooien de kapers zijn lichaam uit de trein, de spoorbaan op. Daar zal het dagenlang blijven liggen.
Twaalf dagen in de kou
Het is nog geen kwart over tien op 2 december 1975. In een handvol minuten is een doodgewone treinrit veranderd in een gijzeling met vierenvijftig mensen. Voor Nederland is dit een volstrekt nieuw soort schrik — het land van overleg, van de polder, van het rotsvaste idee dat zwaar geweld iets is van ver weg.
Wat volgt, is een gijzeling van twaalf dagen. De kapers eisen aandacht voor de Molukse zaak. De Nederlandse regering, het kabinet onder premier Joop den Uyl, kiest voor een strategie van uitputting en onderhandeling, niet van bestorming. Twee dagen later bezet een tweede groep Molukse jongeren het Indonesische consulaat in Amsterdam. Nederland heeft opeens twee gijzelingen tegelijk.
Bij de trein vallen nog twee doden. Leo Bulter, tweeëntwintig jaar, dienstplichtig militair, wordt neergeschoten als het eerste geweld de regering niet doet zwichten. Bert Bierling, eenendertig jaar, econoom, wordt op 4 december in de deuropening van de trein geplaatst en daar doodgeschoten. Zijn lichaam belandt naast dat van Hans Braam langs de baan.
Waarom dit kwartier beslissend was
Het beslissende kwartier bij Wijster markeert het moment waarop een naoorlogse zekerheid in Nederland sneuvelde: het idee dat politiek terrorisme iets was voor het buitenland, niet voor een weiland in Drenthe. De beelden van die stilstaande wagons in het kale winterlandschap branden zich in het collectieve geheugen van een hele generatie.
De Molukkers hadden een echt verhaal van onrecht. Maar de doden die vielen — Hans Braam, Leo Bulter, Bert Bierling — hadden daar niets mee te maken. Zij stapten op een gewone dinsdagochtend in een gewone trein. En kwamen nooit meer thuis.