Cover Het bombardement op Rotterdam
← Alle afleveringen

Seizoen 1 | Aflevering 23

Het bombardement op Rotterdam

14 mei 1940 · ±15 min

Een ultimatum zonder handtekening, een radiobericht dat nooit aankwam, en vijftien minuten die Nederland dwongen tot overgave

Het is half elf in de ochtend, 14 mei 1940. Aan de zuidrand van Rotterdam staan Duitse pantserwagens. Vier dagen lang heeft het Nederlandse leger zich vastgebeten in de Maasbruggen. De Duitsers bezetten de zuidoever, de Nederlanders houden het noorden. Tussen hen in stroomt de Nieuwe Maas. De oorlog ligt hier letterlijk stil op het water. Op dit uur passeert een Duitse officier de Nederlandse linie met een document onder zijn arm. Een ultimatum. De stad krijgt twee uur de tijd om te capituleren. De tekst is onverbiddelijk: volledige vernieling is het alternatief.

Een vod zonder handtekening

Kolonel Pieter Scharroo, kantonnementscommandant van Rotterdam, leest het ultimatum samen met burgemeester Pieter Oud. Scharroo is woedend. Het document mist een handtekening, een rang, een naam. Er staat slechts: de commandant van de Duitse troepen. Aan de telefoon met opperbevelhebber Henri Gerard Winkelman in Den Haag noemt Scharroo het papier minachtend een vod. Winkelman, sinds het vertrek van koningin Wilhelmina en het kabinet naar Londen de enige gezagsdrager in Nederland, volgt het advies van zijn kolonel: stuur het terug, eis een geldig document, win tijd.

Om kwart voor twaalf vertrekt een Nederlandse officier naar de overkant. De Duitse generaal Rudolf Schmidt ontvangt het verzoek en geeft toe — hij begrijpt de militaire etiquette. Via de radio stuurt hij een bevel naar de Luftwaffe: stel het bombardement uit. Om één uur 's middags overhandigt Schmidt persoonlijk een nieuw, ondertekend ultimatum aan kapitein Backer op het Stieltjesplein. Backer rent direct terug naar de noordkant.

Wat Schmidt niet weet: de lange sleepantennes van de bommenwerpers zijn al ingetrokken voor de aanval. Ze horen zijn radiobericht niet.

Dertien over half twee

Boven het oosten verschijnen de eerste formaties. Heinkel honderd elf-bommenwerpers, zware machines, volgeladen met brisantbommen. Op de grond lossen de Duitse parachutisten wanhopig rode lichtkogels — het afgesproken signaal voor niet vallen. Maar de rook van de eerdere gevechten hangt dik boven de Maas.

Het zuidelijke eskader ziet de lichtkogels wél boven de rook uitkomen. De piloten breken de aanval af en lozen hun bommen in de velden van de Hoekse Waard, bij het dorp Strijen. Maar het oostelijke eskader ziet niets. Om dertien over half twee openen vierenvijftig toestellen hun bommenluiken boven het hart van Rotterdam.

Het is een heldere lentedag. De zon weerkaatst in de ruiten van de statige panden aan de Coolsingel. Er is geen luchtalarm. Mensen lopen op straat. De binnenstad is een doolhof van hout en steen: smalle stegen, hoge gevels, droge zolderbalken. De zevenjarige Jopie van Asch ziet de wereld uit elkaar vallen. Ze zou later vertellen hoe ze militairen door de lucht zag vliegen en hoe het gillen van de mensen werd overstemd door het blaffen van dolgedraaide honden. Ze voelde geen paniek, zei ze. Alleen de totale overgave aan het lot.

Een stad zonder water

De bommen vernietigen de gebouwen, maar het vuur vernietigt de stad. Een van de eerste voltreffers raakt de hoofdwaterleiding. De druk valt weg. De volgende inslag scheurt de gasleidingen open. Op tientallen plekken tegelijk breken branden uit. De brandweer rolt de slangen uit, draait de kranen open — er komt niets.

De hitte zuigt zuurstof aan en veroorzaakt een vuurstorm die door de smalle straten jaagt als door een schoorsteen. Student Reinier Brentjes schrijft in zijn dagboek dat het elektrische licht uitvalt. De radio zwijgt. Hij ziet hoe de vliegtuigen blijven komen en hoe alles genadeloos tegen de vlakte gaat. Hij weet niet hoe lang het duurt. Niemand weet het meer.

De aanval duurt nog geen kwartier. Dan keren de Heinkels terug naar hun bases in Duitsland. Wat achterblijft is een rokende krater. Het zeventiende-eeuwse hart van Rotterdam is weg. Tussen de zeven- en negenhonderd mensen zijn dood. Tachtigduizend Rotterdammers hebben geen huis meer. De brand woedt vier dagen door. Van de binnenstad, bijna honderdvijftig hectare, resteert nauwelijks een muur die nog overeind staat.

De capitulatie

Aan het eind van de middag bereikt het nieuws Den Haag. Kort daarna volgt een tweede Duits bericht: als Nederland niet nu capituleert, is Utrecht de volgende. Daarna Amsterdam. Winkelman hoeft de foto's niet te zien om te begrijpen wat dit betekent. In een radiorede verklaart hij dat verder vechten zinloos is. Utrecht en andere grote steden moeten dit lot bespaard blijven.

De volgende ochtend, 15 mei 1940, tekent Winkelman de capitulatie in een lagere school in Rijsoord. Hij is verslagen, maar niet gebroken. De bezetting is begonnen.

Het beslissende kwartier

Waarom waren deze vijftien minuten beslissend? Niet omdat het Nederlandse leger verslagen was — dat was het niet. Maar omdat Winkelman begreep dat hij de burgerbevolking niet meer kon beschermen. Rotterdam dwong een keuze af tussen militaire eer en menselijk leven. Winkelman koos voor het tweede.

Het hart van Rotterdam is nooit teruggekomen. Wie vandaag door de stad loopt, ziet de naoorlogse wederopbouw, de modernistische architectuur die verrees op de as van de zeventiende eeuw. De Laurenskerk staat er nog, zwartgeblakerd herbouwd, als een uitroepteken boven wat ooit was. En wie goed kijkt, ziet de brandgrens van 14 mei 1940 nog steeds in het wegdek liggen.

#geschiedenis #Nederland #Tweede Wereldoorlog #Rotterdam #bombardement #capitulatie #1940 #mei 1940
Deel deze aflevering