Reinier Paping stapt op 18 januari 1963 even uit het spoor op de Witmarsumer Vaart tussen Bolsward en Harlingen. Hij moet plassen. Het vriest min achttien, de noordoostenwind snijdt, en in de kopgroep van vier blijft het tempo nét iets te hoog. Als hij weer aansluit, voelt de sportleraar uit Ommen dat er iets niet klopt.
Hij neemt over, versnelt kort en scherp, en rijdt weg. Jeen van den Berg zegt: "Laat hem. Het is nog te ver." Jan Uitham luistert. Binnen een kwartier is Paping uit het zicht. In Harlingen is zijn voorsprong al drie minuten, in Franeker tien.
Tien uur negenenvijftig minuten na de start finisht hij als eerste op de Grote Wielen bij Leeuwarden, in de zwaarste Elfstedentocht ooit, met minder dan twee procent finishers.
Maar wat als de kopgroep bij die sanitaire stop écht had ingehouden?