Op 23 september 1999 gaat om 20.36 uur de telefoon in een statige woning aan de Zwolseweg in Deventer. Jacqueline Wittenberg, een zestigjarige vermogende weduwe, neemt op en spreekt zestien seconden met haar fiscaal jurist Ernest Louwes. Het is het laatste gesprek dat ze voert. Twee dagen later wordt haar lichaam gevonden, zwaar toegetakeld.
Louwes beweert dat hij tijdens het telefoontje op de A28 bij Harderwijk reed. Maar een zendmast in Deventer vertelt een ander verhaal. Hij wordt gearresteerd, vrijgesproken, veroordeeld, opnieuw vrijgelaten en opnieuw veroordeeld. Het cruciale bewijs: DNA op een blouse die jarenlang onbeschermd op politiezolders lag.
De zaak groeit uit tot een nationale obsessie over tunnelvisie, onbetrouwbare geurproeven en de vraag of forensisch bewijs ooit objectief kan zijn. Tot op de dag van vandaag blijft de twijfel. Wat als die zendmastgegevens anders waren geïnterpreteerd, of de blouse beter bewaard?