Om 20.36 uur voert Jacqueline Wittenberg haar laatste telefoongesprek, en een zendmast die een andere plek aanwijst dan haar gesprekspartner zegt te zijn, bepaalt daarna twintig jaar lang een zaak waarin niemand zeker is van de waarheid.
Deventer, 23 september 1999, 20.36 uur. In een statige woning aan de Zwolseweg gaat de telefoon. Jacqueline Wittenberg, zestig jaar, weduwe, neemt op. Buiten staan oude bomen langs een rij bakstenen villa's, het soort straat waar buren elkaar groeten maar niet te goed kennen. Aan de lijn is een bekende stem: Ernest Louwes, haar fiscaal jurist. Het gesprek duurt zestien seconden. Het is het laatste dat ze voert. Later zullen die zestien seconden tot op de milliseconde worden geanalyseerd, door rechercheurs, advocaten en rechters.
Een vrouw met een erfenis
Jacqueline Wittenberg is vermogend. Drie miljoen gulden, een erfenis die haar onafhankelijk maakt. Ze woont alleen, heeft vaste routines en een wekelijkse kappersafspraak. De papieren die bij zo'n vermogen horen, begrijpt ze niet helemaal. Daarvoor heeft ze Ernest Louwes, zesenveertig jaar, kalm en beleefd, die haar belastingzaken regelt en haar adviseert over beleggingen. Langzaam is hij een vaste plek in haar financiële leven gaan innemen.
Tien dagen voor dat telefoontje heeft Wittenberg haar testament aangepast. Een groot deel van haar nalatenschap moet naar een stichting, een goed doel dat ze zelf heeft gekozen. Louwes staat in het testament als executeur-testamentair en als voorzitter van de op te richten stichting. Het is een detail dat later veel gewicht krijgt. Te veel, zeggen sommigen. Te weinig, zeggen anderen.
De A28, of niet
Volgens Louwes zit hij die avond in zijn auto op de A28, ergens bij Harderwijk, op weg naar huis. Hij belt zijn cliënte, zestien seconden, en rijdt door. Dat is zijn verhaal. Maar verhalen zijn fragiel en kunnen breken op het kleinste detail. Zijn telefoon heeft contact gemaakt met een zendmast, en die staat niet langs de A28 bij Harderwijk. Hij staat in Deventer.
Wat Jacqueline Wittenberg na het gesprek doet, is onbekend. Of er wordt aangebeld, of ze iemand binnenlaat, of iemand al binnen is, blijft onbeantwoord. Vast staat dat ze in de uren daarna wordt aangevallen en gewurgd, en dat ze vijf keer met een mes in de borst wordt gestoken. Niemand hoort iets. Het huis blijft stil.
De ontdekking
Pas op 25 september, twee dagen later, wordt alarm geslagen. Wittenberg verschijnt niet bij de kapper, wat ongebruikelijk is. Rond het middaguur treft de politie haar lichaam aan, zwaar toegetakeld. Het exacte tijdstip van overlijden blijft een open vraag. De schouwarts, die normaal probeert dat vast te stellen, wordt na het constateren van de dood door de recherche weggestuurd. Een gemiste kans, zo zal later blijken. Deskundigen vermoeden bovendien dat het lichaam enkele uren na de moord nog is verplaatst, van de gang naar de woonkamer.
Het onderzoek leunt op het telefoontje van 20.36 uur. De techniek plaatst Louwes in de buurt van het slachtoffer, op het moment dat zij voor het laatst werd gehoord. Zijn alibi wankelt. Op 19 november 1999, bijna twee maanden na de moord, wordt hij gearresteerd.
Vrijspraak, veroordeling, vrijlating, veroordeling
De zaak lijkt helder: een adviseur met toegang tot het testament en een telefoontje dat zijn verhaal ondergraaft. Het Openbaar Ministerie ziet een financieel motief, al oordeelt het hof later dat dit motief niet is komen vast te staan. In maart 2000 spreekt de rechtbank in Zwolle Louwes vrij wegens gebrek aan bewijs. Het OM gaat in beroep, en in december 2000 veroordeelt het Gerechtshof in Arnhem hem alsnog tot twaalf jaar cel. Het cruciale bewijs is een geurproef: een hond die de geur van Louwes zou hebben herkend op een mes.
In 2003 blijkt dat het mes het moordwapen niet kan zijn geweest. De geurproef is onbetrouwbaar, de Hoge Raad vernietigt het vonnis en Louwes komt vrij. In februari 2004 volgt een tweede veroordeling tot twaalf jaar, ditmaal op nieuw bewijs: een bloedvlekje op de blouse van Jacqueline Wittenberg met DNA dat overeenkomt met dat van Louwes. Het klinkt definitief en wetenschappelijk. Maar de blouse heeft jarenlang onbeschermd en ongecontroleerd op zolders van politiebureaus gelegen, in Raalte en in Deventer. Is het DNA-bewijs betrouwbaar, of is het besmet?
Een nationale obsessie
De Deventer moordzaak groeit uit tot meer dan een rechtszaak. Opiniepeiler Maurice de Hond begint een publieke campagne omdat hij overtuigd is van de onschuld van Louwes. Hij wijst een andere verdachte aan, de klusjesman Michael de Jong, in interviews, op zijn website en in eindeloze publicaties. Justitie onderzoekt De Jong en vindt niets. De Hond wordt meerdere keren veroordeeld wegens smaad, maar stopt niet. De twijfel is gezaaid, en eenmaal gezaaid is twijfel moeilijk te wieden.
Het woord tunnelvisie valt steeds vaker: het idee dat politie en Openbaar Ministerie zich zo hebben gefixeerd op Louwes dat ze alternatieve scenario's niet meer zien en bewijs interpreteren in plaats van onderzoeken. Strafrechtadvocaat Jan Vlug, die de klusjesman bijstaat, verzucht dat hij altijd enorm diep moet zuchten bij een nieuw hoofdstuk in de Deventer Moordzaak. Hij heeft zich erbij neergelegd dat hij er tot het eind van zijn carrière mee lastiggevallen zal worden.
Op 22 april 2009, na het uitzitten van twee derde van zijn straf, komt Ernest Louwes vrij.
Waarom dit kwartier
De zestien seconden van 20.36 uur zijn bewijs en raadsel tegelijk. Een zendmast plaatst een telefoon, geen persoon. Een blouse bewaart DNA, maar ook de geschiedenis van elke zolder waarop hij heeft gelegen. Een schouwarts die wordt weggestuurd, een geurproef die uiteenvalt: de zaak laat zien hoe klein de ruimte is tussen een zorgvuldig onderzoek en een verhaal dat zichzelf bevestigt. Wat als de zendmastgegevens anders waren geïnterpreteerd, of de blouse beter bewaard? Het antwoord ligt niet vast, en dat maakt dit kwartier beslissend: het leerde Nederland dat ook forensisch bewijs gelezen moet worden, en dat lezen nooit helemaal objectief is.