Op Elm Street in Dallas verliest Amerika om 12:30 uur zijn president; wat daarna volgt, verandert het vertrouwen van een natie in haar eigen overheid.
Het is 22 november 1963, twaalf uur negenentwintig, en de Texaanse zon brandt op het asfalt van Dealey Plaza. Een open limousine glijdt in de bocht van Main Street naar Elm Street, omringd door juichende toeschouwers. Op de middelste bank zitten gouverneur John Connally en zijn vrouw Nellie. Achterin, in het volle zicht van iedereen, zit president John Fitzgerald Kennedy naast Jacqueline, in haar roze pakje. Hij zwaait. Zes verdiepingen boven hem staat een raam open in de Texas School Book Depository. Daarachter wacht Lee Harvey Oswald, vierentwintig jaar, voormalig marinier.
Een reis om een partij te lijmen
Dat Kennedy hier rijdt, heeft een nuchtere reden. Hij is zesenveertig, de jongste gekozen president ooit, en zijn herverkiezing in 1964 hangt mede af van Texas. De Democratische Partij daar is diep verdeeld: de liberale senator Ralph Yarborough en de conservatieve gouverneur Connally kunnen nauwelijks in dezelfde ruimte zijn zonder ruzie. Kennedy moet die breuk persoonlijk lijmen. Het Witte Huis plant een tweedaagse reis langs Houston, San Antonio, Fort Worth, Dallas en Austin: handen schudden, toespraken, fondsen werven, en overal de president en de First Lady, samen, stralend.
Op 22 november brengt Kennedy de ochtend door in Fort Worth. Om elf uur achtendertig landt Air Force One op Love Field in Dallas. De wolken zijn opgetrokken, de zon schijnt fel. Rond elf uur vijfenvijftig vertrekt de motorcade richting de Dallas Trade Mart, waar een lunchtoespraak wacht. Het dak van de limousine blijft open: het weer is te mooi om de president achter glas te verbergen.
Intussen werkt Oswald al uren in het pakhuis aan Dealey Plaza. Die ochtend kwam hij binnen met een lang pakket in bruin papier. Gordijnroeden, zei hij tegen een collega.
Twaalf uur dertig
Om twaalf uur negenentwintig draait de motorcade Dealey Plaza op. De menigte is hier dunner dan in het centrum, maar enthousiast. De limousine mindert vaart voor de scherpe bocht naar Elm Street, nog geen vijftien kilometer per uur. Connally draait zich om. Meneer de president, zegt hij, u kunt nu toch niet zeggen dat er in Dallas niemand is die van u houdt. Nellie Connally glimlacht. Jacqueline zwaait naar de mensen links van de auto.
Het is twaalf uur dertig. Het eerste schot klinkt. Veel omstanders denken aan een uitlaat of vuurwerk. Een kogel raakt de president in de rug en verwondt gouverneur Connally ernstig. Jacqueline Kennedy draait zich naar haar man, ziet zijn gezicht vertrekken van pijn en begrijpt niet wat er gebeurt. Dan volgt het tweede schot dat doel treft, aan de rechterkant van zijn achterhoofd. Het effect is verwoestend. In blinde paniek klimt Jacqueline op de achterkant van de limousine. Secret Service agent Clint Hill rent naar de auto, springt op de achterbumper en duwt haar terug in haar stoel.
Chaos op Elm Street
De limousine schiet vooruit, onder het spoorwegviaduct door, richting Stemmons Freeway. Achter hen ligt Dealey Plaza in ontreddering. Mensen rennen alle kanten op, sommigen werpen zich op de grond, anderen wijzen naar het pakhuis, naar de pergola, naar de hemel. Niemand weet waar de schoten vandaan kwamen.
In de auto houdt Jacqueline het hoofd van haar man in haar schoot. Later zal Clint Hill haar woorden herhalen: ze hebben zijn hoofd eraf geschoten, en: ik hou van je, Jack. Om twaalf uur achtendertig bereikt de limousine de spoedeisende hulp van Parkland Hospital. Artsen staan klaar. Voor Kennedy is elke hulp te laat.
Parkland Hospital
De artsen proberen het onmogelijke: een tracheotomie, hartmassage, bloed in de aderen. De hoofdwond is fataal. Om dertien uur precies stopt het medisch team en noteert een arts de officiële tijd van overlijden. Vader Oscar Huber dient de laatste sacramenten toe en zegt tegen verslaggevers buiten: Ik heb hem zojuist de laatste riten gegeven. Jacqueline blijft aan de zijde van haar man, nog altijd in haar bebloede roze pakje. Om dertien uur drieëndertig kondigt persvoorlichter Malcolm Kilduff de dood van de president aan.
De jacht op de schutter is dan al begonnen. Om dertien uur twaalf wordt politieagent J.D. Tippit neergeschoten in Oak Cliff. Om dertien uur vijftig arresteert de politie Oswald in het Texas Theatre. Die avond wordt hij aangeklaagd voor de moord op de president. Twee dagen later schiet nachtclubeigenaar Jack Ruby hem dood, voor de ogen van miljoenen televisiekijkers, tijdens zijn overbrenging naar de gevangenis van de county.
Wat bleef
De Warren Commissie, ingesteld door president Johnson, concludeerde in 1964 dat Oswald alleen had gehandeld. Die conclusie werd nooit breed geaccepteerd. De CIA, de maffia, Cuba, de Sovjet-Unie: iedereen werd verdacht. In 1979 oordeelde een commissie van het Huis van Afgevaardigden dat er waarschijnlijk sprake was geweest van een samenzwering, een oordeel dat later werd betwist. De waarheid blijft omstreden.
Wat vaststaat, is de schade aan het vertrouwen. Kennedy was een symbool: jong, welbespraakt, de eerste katholiek in het Witte Huis, de man die Amerika naar de maan wilde sturen en die tijdens de Cubacrisis dertien dagen lang niet week. Zijn opvolger, Lyndon B. Johnson, loodste in 1964 de Civil Rights Act door het Congres, in naam van Kennedy. Maar het vertrouwen van Amerikanen in hun overheid kreeg een klap waarvan het nooit volledig herstelde.
Dat is wat dit kwartier beslissend maakt. Niet alleen dat een president stierf, maar dat het gebeurde in het volle daglicht, onder een open hemel, en dat het land het via de televisie meebeleefde. Wat de natie daarna bleef bezighouden, was niet alleen verdriet maar ook de vraag wat er werkelijk was gebeurd. Op die vraag kwam nooit een antwoord waar iedereen zich in kon vinden.