Om middernacht schuiven de eerste eurobiljetten uit een geldautomaat aan de Markt, en Nederland neemt binnen een week afscheid van een munt die meer dan zeshonderd jaar heeft bestaan.
Maastricht, 1 januari 2002, middernacht. Op de Markt, het historische hart van de stad, brandt licht achter de ramen van eeuwenoude gevels. De temperatuur hangt rond het vriespunt. Duizenden mensen staan dicht op elkaar gepakt, hun adem vormt wolkjes in de koude lucht. Sommigen hebben champagne bij zich, anderen klappen in hun handen om warm te blijven. De sfeer zweeft ergens tussen oudejaarsavond en een voetbalfinale. Maar dit is geen gewone jaarwisseling. Dit is de nacht waarin Nederland afscheid neemt van de knaak, de joet, het geeltje en de rooie. Aan de rand van het plein staat een geldautomaat met een stapel biljetten erin. Geen guldens. Euro's.
Tien jaar eerder, in dezelfde stad
De weg naar deze nacht begint in Maastricht zelf. In 1992 wordt hier het Verdrag van Maastricht ondertekend, de juridische basis voor de Economische en Monetaire Unie. Het verdrag maakt mogelijk wat tot dan toe ondenkbaar leek: één munt voor een heel continent. De logica is economisch. Geen wisselkoersen meer tussen Duitsland en Frankrijk, geen transactiekosten tussen Nederland en België, één markt, één munt.
Maar geld is nooit alleen economie. Een nationale munt vertelt wie je bent en waar je vandaan komt. Wim Duisenberg, de eerste president van de Europese Centrale Bank, gelooft dat Europa sterker wordt door samen te delen, ook als het om het meest persoonlijke gaat: geld. Op deze nacht ziet hij het resultaat van tien jaar dromen, onderhandelen en twijfelen.
De grootste omwisseling aller tijden
De voorbereidingen zijn logistiek ongekend. Twaalf landen moeten tegelijkertijd omschakelen, zonder chaos en zonder dat de economie stilvalt. In Nederland wordt het Nationaal Forum voor de introductie van de euro opgericht. Banken trainen hun personeel, winkeliers leren de nieuwe biljetten herkennen. In december 2001 ontvangen alle huishoudens een kennismakingssetje: een plastic zakje met euromunten, zodat mensen alvast kunnen wennen aan het gewicht en het gevoel.
Op de Nederlandse munten staat aan de ene kant een kaart van Europa, aan de andere koningin Beatrix, een compromis tussen Europees en Nederlands. De omrekenkoers ligt vast: 2,20371 gulden voor één euro, een getal dat miljoenen Nederlanders de komende maanden uit hun hoofd leren.
Middernacht aan de Markt
Minister van Financiën Gerrit Zalm, negenenveertig jaar oud, staat voor de geldautomaat. De camera's van de Nederlandse televisie zijn op hem gericht, journalisten verdringen zich voor een goed shot. Hij heeft eerder gezegd dat de gulden niet in de Hofvijver wordt gegooid: de overgang moet zorgvuldig en waardig verlopen. In twaalf landen staan op ditzelfde moment functionarissen klaar bij geldautomaten. Vier, drie, twee. De klok slaat twaalf.
Zalm drukt op de knop. De automaat zoemt, en met een mechanisch geluid dat normaal alledaags is maar nu historisch klinkt, schuiven de eerste eurobiljetten naar buiten. Zalm houdt ze omhoog voor de camera's en het publiek, een glas champagne in zijn hand. Op de Markt barst applaus los, mensen omhelzen elkaar, kurken knallen. Het is een afscheid en een begin tegelijk. De biljetten tonen bruggen die nergens echt bestaan en poorten die naar geen enkele stad leiden: abstracte bouwkunst, zonder gezicht. Maar de euro is geen abstractie meer. Hij is tastbaar.
De rijen en de snelheid
Binnen enkele minuten vormen zich door heel Nederland rijen bij geldautomaten, in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Iedereen wil de eerste zijn met euro's in handen. In de winkels die nog open zijn, wordt voor het eerst afgerekend in de nieuwe munt: sigaretten, snacks, oliebollen. De prijzen zijn omgerekend, het klopt wiskundig, maar het voelt vreemd. De guldens die binnenkomen verdwijnen in aparte bakken, om later te worden opgehaald en geteld.
De overschakeling verloopt sneller dan zelfs de optimisten durven hopen. Op 2 januari 2002 wordt al vijfenzestig procent van de contante transacties in euro's afgehandeld, op 5 januari negentig procent, op 9 januari zevenennegentig procent. Nederland blijkt het snelste land van de hele eurozone, sneller dan Duitsland en Frankrijk. De gulden blijft officieel nog wettig betaalmiddel tot 28 januari, maar in de praktijk is ze dan al verdwenen. Tot 1 april 2002 kunnen burgers hun guldens gratis storten. Munten kunnen tot 1 januari 2007 worden ingewisseld, bankbiljetten tot 2032.
Wat er verdween
De gulden die op 1 januari 2002 verdwijnt, is geen jonge munt. Meer dan zeshonderd jaar was ze de Nederlandse munteenheid, door oorlogen, economische crises en bezettingen heen. Voor veel Nederlanders voelt het verlies niet economisch maar emotioneel. De vertrouwde namen leven voortaan alleen nog voort in verhalen van grootouders aan kleinkinderen.
In de maanden daarna ontstaat wat later gevoelsinflatie wordt genoemd. De officiële cijfers tonen een bescheiden prijsstijging, maar burgers ervaren iets anders: alles lijkt duurder. Het ligt aan de psychologie van het omrekenen. Twee vijfenzeventig in euro's voelt als meer dan wat het in guldens was, ook al verschilt het wiskundig nauwelijks.
Waarom dit kwartier beslissend was
Rond middernacht van 1 januari 2002 wordt de euro van een boekhoudkundige afspraak, die al drie jaar als girale munt bestond, een voorwerp in de hand. Dat is het beslissende van dit kwartier: niet de politieke keuze, die lag al jaren vast, maar het moment waarop een abstract besluit fysiek werd, en een munt met een geschiedenis van zes eeuwen in de herinnering verdween. Het liep soepeler dan verwacht. Wat bleef, was een gevoel dat geen cijfer kon wegnemen. Een munt is meer dan geld. Een munt is een verhaal over wie je bent.