Terwijl de luchtsteun uitblijft, wandelt generaal Ratko Mladić een door de Verenigde Naties beschermde stad binnen en begint de ergste massamoord in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.
Srebrenica, 11 juli 1995, elf uur in de ochtend. De heuvels rond de stad liggen er vredig bij: dennenbossen, groene valleien, een rivier die zich door het landschap slingert. Maar de stilte is bedrieglijk. Ergens in die heuvels staan Bosnisch-Servische tanks opgesteld, artillerie, mortieren, duizenden soldaten die wachten op het bevel om op te rukken. In het stadje beneden leven nog zo'n veertigduizend mensen, Bosniakken, velen van hen vluchtelingen uit omliggende dorpen. Ze zochten hier bescherming, want Srebrenica is een safe area. Dat hebben de Verenigde Naties twee jaar eerder verklaard. De Nederlandse soldaten van Dutchbat weten beter. Ze zijn licht bewapend en onderbemand, en de luchtsteun waar ze al dagen om vragen, komt niet.
Een veilig gebied zonder veiligheid
Het begin ligt drie jaar terug, in 1992, wanneer Joegoslavië uiteenvalt en Bosnië en Herzegovina zich onafhankelijk verklaart. Wat volgt is een bloedige burgeroorlog tussen Bosniakken, Bosnische Serviërs en Bosnische Kroaten. De Bosnische Serviërs, geleid door president Radovan Karadžić en generaal Ratko Mladić, dromen van een Groot-Servië. Hun methode is etnische zuivering. Nabestaanden en onderzoekers stellen later dat de genocide niet op 11 juli begon, maar jaren eerder, met propaganda, uitsluiting en de dehumanisering van de moslimbevolking in Oost-Bosnië. De val van Srebrenica is het tragische hoogtepunt van die campagne.
In 1993 roept de VN-Veiligheidsraad de enclave uit tot beschermd gebied, een van zes in het land. Maar beschermd is niet hetzelfde als verdedigd. Het mandaat is vaag, de bevoegdheden zijn beperkt, de middelen schaars. Dutchbat III, vierhonderd Nederlandse militairen onder luitenant-kolonel Thom Karremans, mag niet aanvallen en alleen terugvuren als het zelf wordt beschoten. En de enclave is niet volledig gedemilitariseerd: gewapende Bosnische eenheden opereren binnen de grenzen en voeren plundertochten uit naar Servische dorpen, wat de Bosnische Serviërs een argument geeft.
Zes dagen
Op 6 juli, drie uur 's nachts, begint het Bosnisch-Servische leger Operatie Krivaja 95. Mortieren en artillerie bestoken de observatieposten van Dutchbat. Eén voor één worden ze ingenomen. Op 8 juli, om zeven uur 's ochtends, valt observatiepost Foxtrot. Diezelfde middag, rond kwart over drie, worden terugtrekkende Nederlandse troepen tegengehouden door een wegblokkade van Bosniakken die niet willen dat hun enige beschermers vertrekken. In de chaos komt een Nederlandse soldaat om door een handgranaat. Een dag later geeft Karadžić het definitieve bevel: neem Srebrenica in.
Op 10 juli, om vijf voor negen 's ochtends, dient Karremans een formeel verzoek in om NAVO-luchtsteun. Om elf uur wijst generaal Bertrand Janvier, de VN-commandant, het af. Die avond, om half zeven, staat Mladić op de heuvel boven het centrum en kijkt uit over de stad die hij gaat innemen. Om twintig voor tien geeft Janvier alsnog toestemming, maar hij stelt de aanval uit tot de volgende ochtend.
Het kwartier
Op de ochtend van 11 juli loopt alles mis. Om negen uur hoort Karremans dat zijn verzoek op het verkeerde formulier is ingediend. De NAVO-toestellen die sinds zes uur in de lucht zijn, moeten terug naar Italië om te tanken. Om half elf hervatten de Servische troepen het vuur. Om elf uur aarzelt Janvier nog steeds.
In de stad weten de mensen dat de tijd op is. Ze rennen door de straten, moeders grijpen hun kinderen, oude mannen strompelen richting Potočari, naar de VN-basis, naar een veiligheid die niet meer bestaat. De luchtsteun die uiteindelijk komt, is te weinig en te laat. Als de Serviërs dreigen de gegijzelde Nederlandse soldaten te executeren en de compound te beschieten, worden de luchtacties gestaakt.
Om kwart over vier 's middags wandelt Mladić de stad binnen. Hij laat zich filmen in de lege straten. Voor de camera zegt hij dat hij de stad schenkt aan het Servische volk en dat het moment van wraak op de Turken is gekomen, een verwijzing naar een opstand tegen Ottomaanse heersers van eeuwen geleden. Voor hem is dit geen militaire operatie, maar historische vergelding.
De nasleep
In Potočari verzamelen zich duizenden vluchtelingen, vrouwen, kinderen, ouderen en veel mannen. Rond middernacht vertrekken vijftienduizend Bosnische mannen te voet in een lange colonne door de bossen, op weg naar Tuzla. Velen worden opgejaagd, gevangengenomen en gedood. Op 12 juli zit Karremans tegenover Mladić in Hotel Fontana in Bratunac, bij het licht van een schemerlamp. Mladić dicteert de voorwaarden voor de verwijdering van de gehele Bosnisch-islamitische bevolking uit de enclave. Alle vrouwen en kinderen mogen vertrekken, zegt hij. Niemand zal jullie kwaad doen. Dan begint de scheiding: bussen en vrachtwagens rijden voor, vrouwen, kinderen en oudere mannen worden ingeladen en weggebracht.
Tussen 11 en 16 juli worden meer dan achtduizend Bosnische mannen en jongens systematisch geëxecuteerd en in massagraven gedumpt. Het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag oordeelt later dat het genocide is. Mladić, geboren op 12 maart 1942, wordt op 22 november 2017 veroordeeld tot levenslang; in 2021 wordt dat vonnis in hoger beroep bevestigd.
Wat dit kwartier beslist heeft
Of de val van Srebrenica onvermijdelijk was, blijft een open vraag. Wat als de luchtsteun wel op tijd was gekomen? Wat als Janvier op 10 juli niet had geaarzeld? Vast staat wat het kwartier op 11 juli 1995 blootlegde: een mandaat is niets waard zonder de middelen om het te handhaven. De wereld had een stad beschermd verklaard en liet haar niet verdedigen. Sindsdien dwingt Srebrenica de internationale gemeenschap tot de vraag wat bescherming betekent, en wie er verantwoordelijk is wanneer die belofte wordt gebroken.