Op 25 november 1975 tikken de laatste minuten van koloniaal Suriname weg in het André Kamperveen Sportstadion in Paramaribo. Veertigduizend mensen kijken toe hoe de Nederlandse driekleur daalt en een nieuwe vlag rijst: groen, wit, rood met een gouden ster. Kroonprinses Beatrix, prins Claus en premier Joop den Uyl zijn getuige van het einde van driehonderd jaar koloniale geschiedenis.
Premier Henck Arron en president Johan Ferrier leiden een pasgeboren natie met minder dan vierhonderdduizend inwoners, etnisch verdeeld en economisch afhankelijk van bauxiet. Nederland stuurt drieënhalf miljard gulden ontwikkelingshulp mee. Maar in de maanden voor en na de onafhankelijkheid vertrekken tienduizenden Surinamers naar Nederland, bang voor een toekomst die ze niet vertrouwen.
Vijf jaar later pleegt Desi Bouterse een staatsgreep. De dromen van die novembernacht vervagen in een decennium van militair bestuur en politieke moorden. Wat als de onafhankelijkheid langzamer was voorbereid, en de etnische spanningen serieuzer waren genomen?