In een rommelig laboratorium in Cambridge passen kartonnen moleculen plotseling in elkaar — en onthullen hoe het leven zichzelf kopieert
Het is rond het middaguur, 28 februari 1953. In een hoekje van het Cavendish Laboratory aan Free School Lane in Cambridge staat James Watson, een vierentwintigjarige Amerikaan, gebogen over kartonnen uitknipsels die hij zelf heeft geknipt. Achter hem ijsbeert Francis Crick, zesendertig jaar oud, een voormalig natuurkundige die hardop denkt. De kamer ruikt naar sigarettenrook en chemicaliën. Op de werkbank liggen metalen staven, klemmen, en een wirwar van aantekeningen. Buiten valt een kille februariregen. Binnen beginnen de stukjes op hun plek te vallen.
De race om het molecuul
DNA is in 1953 al bijna een eeuw bekend. In 1869 isoleerde de Zwitserse chemicus Friedrich Miescher een mysterieuze stof uit witte bloedcellen — hij noemde het nucleïne. Maar wat die stof precies deed, bleef decennialang een raadsel. Pas in 1944 bewezen drie Amerikaanse onderzoekers, Oswald Avery, Colin MacLeod en Maclyn McCarty, dat DNA het erfelijk materiaal draagt. De vraag die nu brandt: hoe ziet het molecuul eruit? Hoe kan het informatie opslaan én zichzelf kopiëren?
Het is een wetenschappelijke wedloop. In Amerika werkt de beroemde chemicus Linus Pauling aan een eigen model. In Londen buigt Rosalind Franklin, een briljante natuurkundige gespecialiseerd in röntgendiffractie, zich over haar foto's. En in Cambridge proberen twee buitenbeentjes — geen van beiden expert in scheikunde — de puzzel op te lossen met karton en metaal.
Watson en Crick vormen een onwaarschijnlijk duo. Watson is een wonderkind uit Chicago, briljant en ongeduldig. Crick is twaalf jaar ouder, een man met een bulderend lachje en een niet te stoppen stroom aan ideeën die nog steeds aan zijn proefschrift werkt. In januari 1953 krijgt Watson een geschenk dat alles zal veranderen: tijdens een bezoek aan King's College in Londen laat Maurice Wilkins hem Foto 51 zien, een röntgenfoto gemaakt door Rosalind Franklin. De helderheid van het beeld is adembenemend. Watson ziet onmiddellijk de contouren van een helix. Hij maakt een schets. En hij vertelt niemand aan Franklin dat hij haar werk heeft gezien.
Het moment van inzicht
Nu, eind februari, zit Watson aan zijn bureau met de kartonnen uitknipsels voor zich. Elke vorm stelt een base voor — adenine, thymine, guanine, cytosine — de vier bouwstenen van DNA. Hij schuift ze heen en weer. Ze weten inmiddels dat DNA een helix moet zijn; Franklin's foto was daar duidelijk over. Ze weten ook, dankzij de biochemicus Erwin Chargaff, dat adenine en thymine altijd in gelijke hoeveelheden voorkomen. Hetzelfde geldt voor guanine en cytosine. Maar waarom?
Watson pakt de kartonnen adenine. Hij legt hem naast thymine. En dan, ergens tussen half twaalf en het middaguur, ziet hij het. De vormen passen. Niet op dezelfde manier, maar complementair. Als puzzelstukjes. Hij draait zich om naar Crick en laat de combinatie zien. Adenine past bij thymine. Guanine past bij cytosine.
Crick begrijpt onmiddellijk de implicatie. Als de basen altijd in paren voorkomen, dan bestaat DNA niet uit één streng, maar uit twee. Twee strengen die om elkaar heen draaien als een wenteltrap. Elke streng is het spiegelbeeld van de andere. Als je ze scheidt, kan elke streng dienen als mal voor een nieuwe kopie. Dát is hoe erfelijkheid werkt. Dát is hoe het leven zichzelf kopieert.
De stilte in het laboratorium is oorverdovend. Dan begint Crick te lachen — dat bulderend lachje waar hij bekend om staat.
De vergeten bijdrage
Die middag lopen Watson en Crick naar The Eagle, hun stamkroeg aan Bene't Street. Crick bestelt een pint en kondigt aan, luid genoeg voor iedereen om te horen, dat zij het geheim van het leven hebben gevonden. In Londen, op King's College, buigt Rosalind Franklin zich nog steeds over haar röntgenfoto's — niet wetend dat haar Foto 51 het fundament heeft gelegd voor andermans doorbraak.
Op 25 april 1953 verschijnt in het tijdschrift Nature een artikel van nauwelijks een pagina. De auteurs zijn Watson en Crick. In hetzelfde nummer verschijnen artikelen van Wilkins en Franklin met de experimentele gegevens die alles ondersteunen. In 1962 ontvangen Watson, Crick en Maurice Wilkins de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde. Franklin is dan al vier jaar dood — in 1958 gestorven aan eierstokkanker, zevenendertig jaar oud. Nobelprijzen worden niet postuum toegekend. Haar naam ontbreekt in de erelijst, hoewel haar werk fundamenteel was.
Waarom dit kwartier beslissend was
In die vijftien minuten op 28 februari 1953 werd voor het eerst zichtbaar hoe erfelijkheid op moleculair niveau werkt. De dubbele helix verklaarde hoe cellen exacte kopieën van zichzelf maken, hoe eigenschappen van ouders op kinderen worden overgedragen, waarom je blauwe of bruine ogen hebt. Het was het beginpunt van de moleculaire biologie, van genetische manipulatie, van het Human Genome Project. Twee mannen in een rommelig laboratorium, met karton en metaal en gestolen gegevens, openden een deur die nooit meer dicht zou gaan. En ergens in die geschiedenis, onzichtbaar gemaakt door de tijd, staat Rosalind Franklin — de vrouw wier foto alles mogelijk maakte.