Op 9 januari 2007 staat Steve Jobs in Moscone West, San Francisco, klaar om de wereld te veranderen met een apparaat dat officieel nog niet bestaat. In zijn broekzak zit een instabiel prototype dat elk moment kan crashen. Toch waagt hij de gok.
De mobiele telefoon is in 2007 een apparaat dat veel belooft en weinig waarmaakt: lelijke toestellen met fysieke toetsenborden, piepkleine schermpjes en frustrerende internetverbindingen. Jobs kondigt drie revolutionaire producten aan: een breedbeeld iPod, een mobiele telefoon en een internetcommunicator. Dan smelten de iconen samen. Dit is één apparaat: de iPhone.
Met zijn multi-touch demonstratie laat Jobs zien hoe technologie onzichtbaar kan worden. Geen stylus, geen toetsenbord, alleen je vingers. Het publiek beseft dat alles wat concurrenten bouwen opeens hopeloos verouderd is. Binnen vierenzeventig dagen na de lancering verkoopt Apple een miljoen exemplaren.
Wat als de iPhone was gecrasht tijdens die presentatie? Wat als Jobs niet op het podium had gestaan?